Van een familie

In een klein dorpje, idyllisch gelegen
Tussen de heuvels en velden met kool,
Kwam  een familie eens nedergezegen
Moe van het vluchtig gereis en gedool;
Met woonwagen, paard en een oude viool.

Ze waren dikwijls op het marktplein te horen:
Door hun muziek, die zat hen in het bloed,
Liet iedereen zich gewillig bekoren.
Een van de kinderen ving in zijn hoed
Steeds zwaarder gerinkel en blijer gemoed.

De burgemeester greep toen, voor wat centen,
Zijn kans om het nobel proces te versnellen
Door luie en asociale elementen
En andere maatschappelijke gezwellen
Te snoeien, en grondig de rust te herstellen.

Misschien hebben enkele buren die nacht,

Door blaffende honden en schreeuwen gewekt,
Door hun gordijnen gegluurd en gedacht
(en teruggaand naar bed bij zichzelf gezegd)
Hoe erg het wel was, hoe treurig, hoe slecht.

Denkend aan hen die hierheen zijn gekomen
En feitelijk niets anders hebben gedaan
Dan ’t wagen om van beter leven te dromen,
Staat nu een steen waar hun thuis heeft gestaan:
Ze komen niet terug. Wij lieten hen gaan.

 

Pieter Theunissen
4 mei 2018

 

Bar 6