In memoriam Medie Franz

Ze was 16 jaar oud, toen ze op 16 mei 1944 in Beek werd gearresteerd door twee Beekse politieagenten. Haar misdaad was, dat zij was geboren in een ‘zigeuner’-familie. Zij overleed 21 november 2014.

 

Samen met het hele gezin, dat woonde in een woonwagen aan de Stegen, werd zij afgeleverd naar Kamp Westerbork. Vandaar werd zij gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau. Het getatoeëerde nummer op haar arm zou daaraan een levenslange herinnering blijven. Met 5000 andere Sinti verbleef zij in het Zigeunerlager. Op 31 juli werd zij overgebracht naar het basiskamp Stammlager Auschwitz I. Op 3 augustus ging zij met honderden andere zigeunervrouwen, onder wie haar moeder en twee zusjes, naar het concentratiekamp Ravensbrück en daarna naar Wolkenburg, een Nebenlager van het kamp Flossenburg. Zij werkte daar in een munitiefabriek. Haar moeder en oudste zus Buntla overleden hier. Medie en haar zusje Zulla overleefden de verschrikkingen van dit kamp en de daarop volgende ‘Dodenmars’ voor de Russische bevrijders uit. Uiteindelijk belandden Zulla en Medie in een trein, die hen samen, met tweeduizend Hongaarse joden, naar Dachau moest brengen. De trein bereikte zijn bestemming echter niet. Hij werd gebombardeerd door de Amerikanen, waarna de Duitse bewakers vluchtten en boeren uit de omgeving de opgesloten gevangenen konden bevrijden. Medie was eind mei 1945 terug in Limburg, vermagerd en ziek. Zij werd maandenlang verpleegd wegens tuberculose in het sanatorium in Vaals.

 

Maar de nazi’s hadden haar niet klein gekregen. Zij vatte de draad van het leven weer op en werd gelukkig. Ondanks de verschrikkingen van haar gestolen jeugd bleef zij een milde vrouw, een lieve moeder en oma. Op het einde van haar leven werd haar bijzondere geschiedenis bekend en erkend. In Beek kreeg haar familie een klein monument op de plaats waar de woonwagen had gestaan. Zij vertelde zelf aan de kinderen van OBS De Kring haar verhaal. Een uitvoerig interview met haar werd op DVD opgenomen. Op 4 mei 2013 legde zij, samen met Koning Willem-Alexander, een krans bij het Nationaal Monument op de Dam. Zij was het middelpunt van een expositie in het herinneringscentrum Westerbork. In mei 2014 legde zij in Beek een krans wegens het feit, dat het zeventig jaar geleden was, dat zij en haar familie uit Beek werden weggevoerd.

 

Toen was haar leven klaar. Op 21 november 2014 overleed Medie Driessen-Franz te midden van haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Zij was een tevreden vrouw, die ook anderen het leven gunde. Haar laatste beslissing was het afstaan van organen voor transplantatie.

 

Medie, wij hebben heel veel bewondering voor jou.

 

Bar 6

Zeventig jaar later: in memoriam Jelle Nijhout

Het is opmerkelijk dat ook na lange tijd nog steeds nieuwe oorlogsverhalen opduiken. Op 10 mei aanstaande is het zeventig jaar geleden dat Nederland door de Duitse legers werd overvallen en onder de voet gelopen. Slechts weinigen weten dat in de eerste minuten na het begin van het Duitse offensief op Beeks grondgebied een Nederlandse militair sneuvelde: Jelle Nijhout uit Amsterdam. De heer Wim van der Linde uit Berg aan de Maas stuurde ons het verhaal. Tragisch door zijn verloop, en een opmerkelijk tijdsbeeld dat informatie geeft over de verhouding van katholieken en protestanten in die dagen:

 

 

Het tijdstip voor de aanval op Nederland, België en Frankrijk, in militaire termen Fall Gelb genoemd, was bepaald op 4.00 uur in de ochtend van de tiende mei 1940. Echter enkele kleinere Duitse eenheden waren al enige tijd eerder de grens gepasseerd. Dit was onder meer het geval met het Bataljon zur besonderen Verwendung 100 dat achter de verdedigingslijn langs Geleenbeek en Geul van Sittard naar Maastricht moest oprukken naar de Maasbruggen. Dit bataljon bestond uit een lange gemotoriseerde colonne met een paar tanks, pantserwagens, gemotoriseerd anti-tank-geschut en gemotoriseerde infanterie in de voorhoede. Het rukte op van Tuddern naar Sittard en daarna via de Rijksweg van Sittard via Geleen en Beek naar Maastricht.

 

 

Om 3:30 uur, een half uur voor het officiële begin van de aanval, passeerde het Bataljon in Sittard de grens. Het ondervond direct Nederlandse militaire tegenstand. In Sittard sneuvelden twee Nederlandse militairen. Daarna rukte het zonder verdere weerstand op van Sittard naar Geleen. In Geleen moest een bij de Eindstraat half over de weg liggende boom door één van de tanks opzij geduwd worden. In Neerbeek was de betonnen versperring op de brug over het mijnspoor gesloten, en deze versperring werd verdedigd vanuit loopgraven die waren aangelegd op het hoge talud van het mijnspoor. De verdedigers beschikten over één mitrailleur en verder slechts over geweren. Er ontstond een vuurgevecht waarbij soldaat Jelle Nijhout een kogel in zijn hoofd kreeg. Dat was om ongeveer  4.00 uur, het officiële  tijdstip van het begin van de inval van de Duitsers.

 

 

Na het korte oponthoud in Neerbeek, niet meer dan ongeveer 15 minuten, kon de Duitse militaire colonne zonder verdere tegenstand doorrijden tot de buitenwijken van Maastricht.

Direct na het vuurgevecht gingen Neerbeekse burgers ter plaatse kijken. Zij vonden de zwaargewonde man, en waarschuwden de pastoor. Deze diende hem de laatste sacramenten toe. De soldaat overleed vervolgens in de armen van de pastoor. Nadien bleek dat Jelle Nijhout Nederlands Hervormd was: hij had volgens de norm van die dagen niet bediend mogen worden. Hij kreeg een noodgraf in de stoep buiten de Katholieke begraafplaats van Neerbeek.

 

Direct na de capitulatie van Nederland werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar Amsterdam en daar her-begraven. Na de oorlog werd hij overgebracht naar de erebegraafplaats in Loenen.”

Jelle Nijhout was geboren op 11 augustus 1914 te Amsterdam. Als dienstplichtige diende hij bij het 37e R.I. Hij overleed op 10 mei 1940.

Bar 6

 

 

In 1994, bij gelegenheid van het feit dat Beek vijftig jaar was bevrijd, gaf de Stichting Herdenking Oorlogsslachtoffers Beek, samen met de Heemkundevereniging Beek, een boek uit onder de titel Een voetnoot bij de wereldgeschiedenis. Hierin hebben wij getracht een volledig overzicht te geven van alle met Beek verbonden mensen, die om het leven kwamen als gevolg van de Tweede Wereldoorlog. De namen van al die personen werden destijds opgenomen op het oorlogsmonument bij de Martinuskerk.
Onder de slachtoffers waren ook twaalf joodse inwoners van Beek. Destijds was er echter één probleem. Van het Beekse meisje Ruth Bogen hadden wij geen bewijs van overlijden. Wij schreven destijds:

Ruth Bogen met moeder Louise Hertz1“Het gezin Bogen-Hertz was bekend in Beek, toen het er in januari 1939 naar toe vluchtte [vanuit het Duitse Keulen]. De vader van Luïse Bogen-Hertz was in Beek geboren; een broer van vader, Max Hertz, woonde in Beek, Maastrichterlaan 25; en een zusje van mevrouw Bogen, Bertha Hertz, woonde eveneens in Beek, gehuwd met Jan Nicolaas Spronken. De familie Bogen was bevriend met de Beekse familie De Leeuw. Het gezinnetje, Samuel Bogen, Luïse Bogen-Hertz en hun zevenjarig dochtertje Ruth, heeft langer dan een jaar in Beek naar een woning gezocht, die niet te vinden was. Tijdelijk werd inwoning geregeld bij hun oom Max. Toen deze in het voorjaar van 1940 verhuisde naar Amsterdam, was er voor de familie Bogen geen plaats meer in de herberg. In de dagen rond de Duitse inval verhuisde het gezin naar Westerbork. Het latere doorvoerkamp was toen nog een door de Nederlandse regering in het leven geroepen centrum voor Duitse asielzoekers, meest joden. In de loop van 1941 kreeg Westerbork de status van Durchgangslager, dat wil zeggen verzamelplaats voor joden, die wachtten op hun deportatie naar Polen. De Duits-joodse vluchtelingen, die het kamp bewoonden, zaten als ratten in de val: het waren de eerste bewoners van het Durchgangslager.

Toch ontleenden zij ook een zekere bescherming aan het feit dat zij de eersten waren. Velen, zo ook Samuel Bogen, kregen een functie in de kamporganisatie. Zo kon het gebeuren dat zij pas Westerbork verlieten als laatste groep. De familie Bogen werd gedeporteerd op 6 september 1944, en niet naar Auschwitz, maar naar het Altersgetto Theresiënstadt bij Praag. Vanuit Theresiënstadt hebben wij geprobeerd hun spoor te volgen. Samuel en Luïse zijn vanuit Theresiënstadt op 4 oktober op transport gesteld naar Auschwitz, en aldaar bij aankomst vergast. Van hun dochter Ruth, geboren 1 mei 1932, ontbreekt verder elk spoor. Zij is niet gedeporteerd. Er is geen lijst van degenen die op 6 mei 1945 in Theresiënstadt zijn bevrijd. Misschien was Ruth daarbij. Misschien ook is zij overleden in het kamp. Het is echter geenszins onmogelijk dat het Beekse meisje Ruth Bogen, gevangene nr. XXIV-7-75, op dit moment nog leeft. In Israel/ In Amerika?”

Dat was onze kennis van 1994. Bij een hernieuwd onderzoek naar het lot van een aantal Limburgse joodse slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog konden wij opnieuw het archief raadplegen van het Herinneringscentrum Westerbork. Tot onze verbazing was er nu (in 2008) wel via het Internationale Rode Kruis een bericht van overlijden van Ruth ontvangen. Zij blijkt toch met haar ouders te zijn meegegaan van Theresiënstadt naar Auschwitz, en daar op 6 oktober 1944 te zijn vergast, samen met haar moeder. Er blijkt in de burgerlijke stand van de toenmalige gemeente Westerbork ook een overlijdensakte te zijn opgemaakt, en wel in 1973. En er wachtte ons ook een verrassing. Er bleek zelfs een fraaie foto van Ruth en haar moeder te zijn, die was tevoorschijn gekomen uit het fotoalbum van een ander oud-lid van de kampstaf, een zekere Gotschalk. Wij drukken de foto hierbij af.

In het citaat uit ons boek uit 1994 staan nog twee fouten. De familie Bogen is al in Beek ingeschreven op het adres Maastrichterlaan 25 op 27 november 1938, en niet pas in januari 1939. Vader Samuel heeft na de vlucht van het gezin officieel gewoond op vier verschillende adressen: in Beek, Maastricht, Beesel en Rotterdam. Hij verhuisde al op 23 maart 1940 vanuit Rotterdam naar het vluchtelingenkamp Westerbork, waar zijn vrouw en dochter zich op 9 mei vanuit Beek bij hem voegden. Hij stond ingeschreven onder het beroep Kaufmann, en kreeg een plaats in Westerbork als lid van het kamppersoneel, de Gruppe Stammlager. Op 4 september 1944 werd het gezin afgevoerd naar Theresiënstadt, en van daaruit op 4 oktober naar Auschwitz. Zoals gezegd, moeder en dochter werden bij aankomst vergast. Samuel werd echter als arbeider in het concentratiekamp ingeschreven. Hij was lid van het ‘Arbeitskommando Melk’.Voor de bevrijders uit werd hij, met de andere overlevenden van Auschwitz, naar het westen gedreven in een van de beruchte Dodenmarsen. Hij overleed onderweg op 28 maart 1945.

Bar 6